Arie Bernardus (Jo) Goud
16-10-1921 Den Haag – 14-12-1986 Den Haag

Lydia Winkel verwijst daar naar de naam van de drukkerij die toen luidde: Electrische Drukkerij A. Goud. Drukkerij Goud is opgericht in 1905 door Arie Goud (mijn overgrootvader). Zijn vrouw was Pieternelle Enters (1869-1949). Deze Arie Goud was oprichter en naamgever van de drukkerij maar overleed voor 1940.

Het bedrijf is dus voortgezet, eerst door zijn vrouw en later door zoon Johan Hendrik Goud (1894-1961) en weer later door diens zoon Arie Bernardus Goud (1921-1986), mijn vader.

Jo en Arie Goud (vader en zoon) waren beide drukkers van het illegale Parool, maar ook neef Wim Duk (1918-2012) was daarbij betrokken. Verschillende dames (leeftijdgenoten van mijn vader Arie Goud en neef Wim Duk) die elkaar kenden via een Haagse handbalvereniging, waren betrokken bij de lokale verspreiding van het gedrukte Parool, waaronder mijn tante Jannie Goud, mijn moeder Ali Huijgen en Jopie Varkevisser (later getrouwd met Wim Duk) Jo Goud (mijn grootvader) moet het besluit genomen hebben om aan de illegale pers deel te nemen. Hij was ook degene die sprak met Simon

Carmiggelt, de contactpersoon. Ik heb ook wel eens gehoord dat er voor het Parool ook nog een ander blad werd gedrukt maar dat weet ik niet precies meer.

Na een inval, begin 1944, hebben Jo (J.H.) Goud en Wim Duk in de Scheveningse gevangenis gezeten. Mijn vader Arie was niet op de drukkerij vanwege opleiding en kon, na gewaarschuwd te zijn, nog net onderduiken in Leiden bij zijn grootouders.

In het boek over het Parool 1940-1945 (Madelon de Keizer) staat mijn grootvader Jo Goud genoemd bij het 2e paroolproces. Neef Wim Duk heeft in zijn boek ‘Eindverslag’ (2007) een hoofdstuk gewijd aan het werken bij Oom Jo en aan zijn verblijf in de Scheveningse gevangenis. Tot op de dag van vandaag is het bij de familie niet bekend geworden waarom Jo Goud en Wim Duk beide (bij gebrek aan bewijs) later vanuit Scheveningen zijn vrijgelaten.

Feit is wel dat het illegale Parool ook bij Drukkerij Goud in Den Haag werd gedrukt en net zoals in Amsterdam op een Johannesberger pers. Dat alles goed werd verstopt blijkt wel uit het feit dat wij nooit 1 gedrukt exemplaar meer hebben kunnen zien. Zelf een parool dat na de oorlog bij het verplaatsen van de pers te voorschijn kwam werd niet meer bewaard. (Zal wel doordrenkt met olie geweest zijn). Vermoedelijke vanwege het feit dat de onverwachte vrijlating zo onduidelijk is gebleven heeft men nooit erg ‘te koop’ gelopen met het illegale werk, maar dat is mijn interpretatie. Ook werden er ‘fouten’ gemaakt door de politie. De zaak werd niet goed verzegeld en ‘s nachts wist familie het zetsel dat zelfs nog op de pers stond ‘weg te maken’ zoals dat onder drukkers genoemd wordt. Het zetsel werd keurig terug in de zetkasten gestopt. Later onderzoek leverde geen bewijs meer op.

Getuigenis aangeleverd door Jeroen Goud – Leiden