Jan Geert Gol
17-01-1918 Meppel – 01 of  02-06-1945 Theresienstadt

In de nacht van 24 op 25 mei 1944 zijn in Meppel 32 mannen opgepakt, die zich bezig hielden met verzet tegen de Duitsers en hulp aan onderduikers. Van deze groep zijn 25 arrestanten per trein naar Kamp Amersfoort gebracht. Mijn vader, Jan Gol, was één van hen. Mijn moeder bleef achter met mijn tweejarige zusje Margje. Ik werd een maand daarna geboren. Zonder vader. Hij zou niet meer terugkeren. Ik heb mijn vader nooit gezien. Nooit heeft hij me op schoot getrokken en tegen me gelachen. Als kind realiseer je je dat allemaal niet. Het gemis komt pas later.

Op 21 juni 1941 trouwen Jan Geert Gol en Femmigje Groote in het stadhuis in Meppel. Femmie draagt een zelfgemaakte trouwjurk. Ze gaan wonen in de Leliestraat, een huis van vijf meter breed en zeven meter diep. Een benedenverdieping, een bovenverdieping en een vliering.

Op 23 april 1942 wordt mijn zusje Margje geboren. In mei 1943 krijgt Jan contact met de verzetsgroep Meppel. Hij heeft een groot gevoel voor rechtvaardigheid. Hulp aan het verzet ziet hij als zijn plicht. Hij wordt sectiecommandant en vervoert wapens, brengt berichten over, brengt kleding en parachutes naar de oven van vleesfabriek Dengerink, om ze te verbranden. Vanwege zijn werk bij Dengerink is Jans schuilnaam ‘de leverworst’. Fem en Jan nemen ook een onderduiker in huis, op wiens hoofd een prijs staat.

Als mijn zusje buitenloopt met een foto van de onderduiker, speelt een buurvrouw die door naar de Meppeler politiecommandant kapitein Van Wijnen. Dit en andere gebeurtenissen in Meppel leiden tot de aanhouding van de 32 mannen, waaronder mijn vader.
Mijn moeder gaat naar het politiebureau om te vragen waarom haar man is gearresteerd. Ze krijgt te horen dat wie omgaat met onderduikers, de kogel verdient.

Op 25 mei 1944 ziet mijn moeder haar man met de anderen op het perron van Meppel staan wachten op transport naar kamp Amersfoort, een touw om de groep, soldaten rondom. Het is de laatste keer dat ze hem ziet. Een maand later, 26 juni 1944, word ik geboren. Uit dit kamp krijgt mijn moeder nog een brief van mijn vader die haar moed probeert in te spreken.

Op 18 juli 1944 vertrekt een groot transport van 537 Nederlandse gevangenen vanuit Kamp Amersfoort naar Buchenwald waaronder zeventig personen die zijn opgepakt wegens volgens de Duitsers illegale activiteiten. In deze groep zitten ook ‘de Meppelers’, ook mijn vader.

Op 19 juli wordt hij in Buchenwald ingeschreven als gevangene. Op 10 augustus 1944 stuurt hij weer een brief. ‘Met mij gaat het goed’. Maar hij vraagt om veel levensmiddelen en kleding.

Op 16 september volgt weer een brief. Hij klaagt over de slechte verpakking van de spullen die hij heeft ontvangen en het ontbreken van rokerei en vleeswaren. Hij besluit de brief met de woorden ‘Vertrouw op God die alles in Zijn hand heeft’.

Op 10 april 1945 gaat mijn vader op transport vanuit Buchenwald richting Theresienstadt in een open kolenwagen waar zo’n 100 man per wagen in werden vervoerd. Pas weken later rond 6 mei komt hij aan. Ziek en in zeer slechte conditie. Paula Zadoks, een joodse verpleegster/gevangene heeft hem in de ziekenboeg nog gesproken op de dag voor zijn overlijden dat uiteindelijk moet zijn geweest op 01 of 02-06-1945.

Uit bronnen weet ik hoe veel mijn vader moet hebben geleden.

Mijn vader ging graag met de fiets er op uit. Hier bij Giethoorn, waar hij graag tekeningen maakte in de natuur.

Getuigenis aangeleverd op 14-10-2019 door Rita Muste-Gol